het moment

Een lieveheersbeestje loopt op de wasdraad voorbij. De bijen houden van lavendel, zo zoemen ze in koor. Een koppel dansende citroenvlinders vliegt naar daar vanwaar een koolmees naar beneden duikt, die fluit nu minder dan twee meter boven mij. De zon schijnt aangenaam zacht op mij. Achter de haag waardoor de wind ruist, hoor ik de buurman harken. Op een week tijd hebben de vogels zijn kersenboom leeg gegeten. Het kindergejoel op de achtergrond projecteert mij naar het verleden, toen ik nog jong en alles nog mogelijk was. Ik lig in de hangmat en ik wieg heen en weer. Het is zomer. Ik mijmer het moment voorbij.

Is alles niet meer mogelijk?

Wel ik loop de laatste tijd nogal vaak tegen bepaalde grenzen aan. En ik merk dat ik op een bepaalde manier op het einde van mijn krachten ben. Ik heb de energie niet meer om na het vallen terug onmiddellijk verder te hollen. Of om de situatie trachten te analyseren. Ik heb merk ik eerder de neiging om het mijzelf knus te maken daar in de schaduw van die laatste grens.

Loopt niet van een leien dakje. Regelmatig word ik geplaagd door mijn gedachten. Ze zaaien getwijfel in mij.

Ik denk terug aan een vers dat ik onlangs las:

Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer. Toen het jonge gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid te voorschijn. De knechten kwamen de heer des huizes vragen: “Heer, hebt u soms geen goed zaad op uw akker gezaaid? Waar komt dat onkruid dan vandaan?” Hij antwoordde: “Dat is het werk van een vijand.” De knechten zeiden tegen hem: “Wilt u dat wij er het onkruid tussenuit wieden?” Hij antwoordde: “Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken. Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal ik, wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen: ‘Wied eerst het onkruid, bind het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn schuur.’”’